Fusies en overname
Doel: Bepalen samenwerkingsvorm bedrijven
Achtergrond van het model
Bedrijven fuseren en nemen elkaar over.
Ook worden bedrijven zelf overgenomen.
Er is een duidelijk verschil tussen fuseren en overnemen.
Bij een fusie gaan twee of meer bedrijven samen en vormen zij één nieuwe onderneming.
Bij een overname neemt één bedrijf een ander bedrijf over.
Het overgenomen bedrijf gaat volledig op in de andere onderneming.
Er ontstaat dan geen nieuwe onderneming.
In dit model wordt zowel gekeken naar fusies als naar overnames.
Wanneer bedrijven samengaan ontstaat direct de vraag wat behouden blijft.
Elke onderneming heeft sterke en minder sterke kanten.
De sterke kanten worden gebruikt om synergie te realiseren.
Voor het bepalen van de juiste samenwerkingsvorm zijn twee factoren belangrijk.
Behoefte aan autonomie
Dit geeft aan in hoeverre ondernemingen zelfstandig blijven werken.
Een hoge behoefte aan autonomie ontstaat bij grote cultuurverschillen.
Ook kan autonomie nodig zijn wanneer integratie leidt tot verlies van synergie.
Te grote cultuurveranderingen hebben vaak een negatief effect op fusies en overnames.
Strategische onafhankelijkheid
Dit geeft aan in hoeverre processen worden geïntegreerd.
Integratie is nodig om synergie te bereiken.
De strategische doelstelling van de fusie of overname bepaalt de mate van integratie.
Strategische onafhankelijkheid gaat altijd boven de behoefte aan autonomie.
Toepassing Fusies en overnames
Op basis van strategische onafhankelijkheid en behoefte aan autonomie zijn vier integratiemodellen ontstaan.
Dit zijn conservatie, symbiose, absorptie en holding.
Conservatie
Bij conservatie is de behoefte aan autonomie groot.
De behoefte aan strategische afhankelijkheid is beperkt.
De ondernemingen blijven grotendeels zelfstandig werken.
Zij maken wel deel uit van een grotere organisatie.
De cultuur en toegevoegde waarde blijven behouden.
Het management stuurt op afstand op prestaties en kennis.
De focus ligt op toegevoegde waarde per onderneming.
Symbiose
Bij symbiose is zowel de behoefte aan autonomie als aan integratie groot.
Ondernemingen willen zelfstandig blijven en tegelijk samenwerken.
Dit is de meest complexe vorm van samenwerking.
Het is ook de vorm die op lange termijn het meeste kan opleveren.
Het management zoekt een balans tussen autonomie en samenwerking.
In de eerste fase werken de bedrijven naast elkaar.
Daarna vindt overdracht van strategische capaciteiten plaats.
Absorptie
Bij absorptie is de behoefte aan autonomie klein.
De behoefte aan onderlinge afhankelijkheid is groot.
Eén onderneming wordt volledig opgenomen door de andere.
Slechts waardevolle kennis wordt behouden.
Andere onderdelen verdwijnen in de overnemende onderneming.
Medewerkers van de overgenomen onderneming ervaren dit vaak als verlies.
Dit kan leiden tot weerstand of vertrek van personeel.
Wanneer de culturen sterk op elkaar lijken verloopt de integratie beter.
Het wij tegen zij gevoel is dan kleiner.
Holding
Bij een holding is zowel de behoefte aan autonomie als aan integratie beperkt.
Er is weinig uitwisseling van strategische capaciteiten.
De ondernemingen hebben vergelijkbare processen.
Er vindt geen integratie plaats.
De bedrijven blijven zelfstandig functioneren onder een holding.
De holding kan sturen op financiële resultaten of zeer strak besturen.
Strakke sturing kan leiden tot verlies van autonomie.
Dit kan zorgen voor minder motivatie en betrokkenheid bij medewerkers.
Integratie bij fusies en overnames
De integratie wordt in stappen uitgevoerd.
Vergelijk de processen van de ondernemingen.
Bepaal waar dezelfde processen bestaan.
Onderzoek waar synergie mogelijk is.
Bepaal per proces de effectiviteit.
Dit gebeurt op operationeel, commercieel, strategisch en kostenniveau.
Bepaal de synergie op basis van functionaliteit en effectiviteit.
Bij gelijke functionaliteit en beide effectief ontstaat een gezamenlijke integratie.
Bij gelijke functionaliteit en één effectief wordt dat proces gekozen.
Bij ongelijke functionaliteit en beide effectief wordt gezocht naar de beste combinatie.
Bij ongelijke functionaliteit en beide niet effectief blijven beide processen bestaan.
Resultaat van het model
Fusies en overnames zorgen vaak voor onzekerheid.
Hierdoor ontstaat minder focus op de markt.
Dit kan leiden tot verlies van klanten en omzet.
Een duidelijke en tijdige aanpak voorkomt dit.
Het model helpt bij het maken van bewuste keuzes.
Hiermee kan sneller waarde gecreëerd worden.
Aandachtsgebieden Fusies en overnames
Veranderingen zorgen vaak voor vertrek van medewerkers.
Dit zijn vaak medewerkers met veel kennis en ervaring.
Het vertrek van deze medewerkers leidt tot kennisverlies.
Dit vormt een groot risico voor de onderneming.
Auteur: P. Aspeslagh en D. Jemison
Jaar ontwikkeld: 1998
Literatuur
Haspeslagh P.C., Jemison D.B. (1998) Het managen van fusies en overnames: waardeschepping door integratie. Schiedam. Scriptum management
Fusies en overname
Doel: Bepalen samenwerkingsvorm bedrijven
Achtergrond van het model
Bedrijven fuseren en nemen elkaar over.
Ook worden bedrijven zelf overgenomen.
Er is een duidelijk verschil tussen fuseren en overnemen.
Bij een fusie gaan twee of meer bedrijven samen en vormen zij één nieuwe onderneming.
Bij een overname neemt één bedrijf een ander bedrijf over.
Het overgenomen bedrijf gaat volledig op in de andere onderneming.
Er ontstaat dan geen nieuwe onderneming.
In dit model wordt zowel gekeken naar fusies als naar overnames.
Wanneer bedrijven samengaan ontstaat direct de vraag wat behouden blijft.
Elke onderneming heeft sterke en minder sterke kanten.
De sterke kanten worden gebruikt om synergie te realiseren.
Voor het bepalen van de juiste samenwerkingsvorm zijn twee factoren belangrijk.
Behoefte aan autonomie
Dit geeft aan in hoeverre ondernemingen zelfstandig blijven werken.
Een hoge behoefte aan autonomie ontstaat bij grote cultuurverschillen.
Ook kan autonomie nodig zijn wanneer integratie leidt tot verlies van synergie.
Te grote cultuurveranderingen hebben vaak een negatief effect op fusies en overnames.
Strategische onafhankelijkheid
Dit geeft aan in hoeverre processen worden geïntegreerd.
Integratie is nodig om synergie te bereiken.
De strategische doelstelling van de fusie of overname bepaalt de mate van integratie.
Strategische onafhankelijkheid gaat altijd boven de behoefte aan autonomie.
Toepassing Fusies en overnames
Op basis van strategische onafhankelijkheid en behoefte aan autonomie zijn vier integratiemodellen ontstaan.
Dit zijn conservatie, symbiose, absorptie en holding.
Conservatie
Bij conservatie is de behoefte aan autonomie groot.
De behoefte aan strategische afhankelijkheid is beperkt.
De ondernemingen blijven grotendeels zelfstandig werken.
Zij maken wel deel uit van een grotere organisatie.
De cultuur en toegevoegde waarde blijven behouden.
Het management stuurt op afstand op prestaties en kennis.
De focus ligt op toegevoegde waarde per onderneming.
Symbiose
Bij symbiose is zowel de behoefte aan autonomie als aan integratie groot.
Ondernemingen willen zelfstandig blijven en tegelijk samenwerken.
Dit is de meest complexe vorm van samenwerking.
Het is ook de vorm die op lange termijn het meeste kan opleveren.
Het management zoekt een balans tussen autonomie en samenwerking.
In de eerste fase werken de bedrijven naast elkaar.
Daarna vindt overdracht van strategische capaciteiten plaats.
Absorptie
Bij absorptie is de behoefte aan autonomie klein.
De behoefte aan onderlinge afhankelijkheid is groot.
Eén onderneming wordt volledig opgenomen door de andere.
Slechts waardevolle kennis wordt behouden.
Andere onderdelen verdwijnen in de overnemende onderneming.
Medewerkers van de overgenomen onderneming ervaren dit vaak als verlies.
Dit kan leiden tot weerstand of vertrek van personeel.
Wanneer de culturen sterk op elkaar lijken verloopt de integratie beter.
Het wij tegen zij gevoel is dan kleiner.
Holding
Bij een holding is zowel de behoefte aan autonomie als aan integratie beperkt.
Er is weinig uitwisseling van strategische capaciteiten.
De ondernemingen hebben vergelijkbare processen.
Er vindt geen integratie plaats.
De bedrijven blijven zelfstandig functioneren onder een holding.
De holding kan sturen op financiële resultaten of zeer strak besturen.
Strakke sturing kan leiden tot verlies van autonomie.
Dit kan zorgen voor minder motivatie en betrokkenheid bij medewerkers.
Integratie bij fusies en overnames
De integratie wordt in stappen uitgevoerd.
Vergelijk de processen van de ondernemingen.
Bepaal waar dezelfde processen bestaan.
Onderzoek waar synergie mogelijk is.
Bepaal per proces de effectiviteit.
Dit gebeurt op operationeel, commercieel, strategisch en kostenniveau.
Bepaal de synergie op basis van functionaliteit en effectiviteit.
Bij gelijke functionaliteit en beide effectief ontstaat een gezamenlijke integratie.
Bij gelijke functionaliteit en één effectief wordt dat proces gekozen.
Bij ongelijke functionaliteit en beide effectief wordt gezocht naar de beste combinatie.
Bij ongelijke functionaliteit en beide niet effectief blijven beide processen bestaan.
Resultaat van het model
Fusies en overnames zorgen vaak voor onzekerheid.
Hierdoor ontstaat minder focus op de markt.
Dit kan leiden tot verlies van klanten en omzet.
Een duidelijke en tijdige aanpak voorkomt dit.
Het model helpt bij het maken van bewuste keuzes.
Hiermee kan sneller waarde gecreëerd worden.
Aandachtsgebieden Fusies en overnames
Veranderingen zorgen vaak voor vertrek van medewerkers.
Dit zijn vaak medewerkers met veel kennis en ervaring.
Het vertrek van deze medewerkers leidt tot kennisverlies.
Dit vormt een groot risico voor de onderneming.
Auteur: P. Aspeslagh en D. Jemison
Jaar ontwikkeld: 1998
Literatuur
Haspeslagh P.C., Jemison D.B. (1998) Het managen van fusies en overnames: waardeschepping door integratie. Schiedam. Scriptum management
Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!


Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!